Beschouwing op de “Kritische reflectie op huishoudelijk afvalbeleid in circulaire economie; ondoelmatigheid tiert welig”


In het artikel wordt een interessante en prikkelende vraag neergelegd over hoe het afvalbeleid ook qua kosten doelmatiger kan. Er zijn kosten gemoeid met het apart inzamelen en verwerken van afval en er zijn doelen gesteld vanuit de overheid, gerelateerd aan circulaire economie. Naar onze mening maakt de schrijver hierover een aantal statements die van belang zijn voor zijn betoog maar niet of nauwelijks worden onderbouwd en zelfs onjuist lijken. Daarmee worden bestuurders ons inziens foutief geïnformeerd en ongewenst beïnvloed. Met deze beschouwing hopen we dat recht te zetten.

  1. De kern van onze bezwaren is dat de schrijver geen rekening houdt met wat moeilijker in geld uit te drukken doelen van afvalscheiding en recycling, zoals de verminderde uitputting van schaarse grondstoffen, circulariteit, gezonde leefomgeving, de onafhankelijkheid van oliestaten en de vervuiler verantwoordelijk maken. Ook gaat hij voorbij aan de economische “opschudding” die zal ontstaan als we op termijn te maken gaan krijgen met goedkope duurzame energie. Een iets bredere opvatting van doelmatigheid lijkt ons dan ook gewenst. Van geld alleen kunnen we op termijn geen nieuwe producten en voedsel maken.
  2. In de eerste voetnoot wordt gesteld dat het in het artikel gaat om de mening van de auteur. Het gaat hier natuurlijk wel om een wetenschapper en het artikel heeft ook de uitstraling van een wetenschappelijke publicatie. De schrijver gebruikt voor zijn algemene conclusies echter termen als “doelmatigheid is geheel uit het oog verloren”, “kilogramfetisjisme”, “verheerlijkt”, “doorgeschoten hobbyisme” en “astronomische bedragen”. Hierdoor krijgt de kritische reflectie een tendentieus karakter.
    De schrijver heeft voor zijn artikel geen enkele van de bekende, onafhankelijke kennisinstituten voor afvalbeheer (NVRD, Rijkswaterstaat, Kennisplatform Duurzaam Grondstoffenbeheer) geraadpleegd. Maar liefst 23 van zijn verwijzingen zijn verwijzingen naar eigen werk.
  3. Betreurenswaardig is dat in het stuk geen concrete alternatieven of oplossingen worden geboden voor de ingeschatte ondoelmatigheid. Bovendien doet de beschouwing absoluut geen recht aan de grote en brede inspanningen op dit gebied. Die inspanningen zijn uiteraard niet alleen op kwantiteit maar ook op kwaliteit gericht. Verbetering van de afstemming tussen inzamelmethoden en verwerkingsmethoden is een continu proces.
  4. Met eenvoudige analyses van openbare, geverifieerde data (CBS, afvalstoffenheffing) kan geconcludeerd worden dat diftar, omgekeerd inzamelen en frequentieverlaging van de restafvalinzameling op zichzelf en in combinatie de krachtigste instrumenten zijn voor betere afvalscheiding door burgers. De door de schrijver genoemde negatieve effecten worden niet door onderzoek onderbouwd.

Hieronder volgen nog een aantal opmerkingen die meer in detail in gaan op een aantal beweringen die in de reflectie worden gedaan.

  • De schrijver geeft aan dat er 114 definities zijn van de circulaire economie, en gaat vervolgens door met één definitie, waar hij ook zijn reflectie op baseert. De keuze van deze ene definitie wordt niet onderbouwd. Ook wordt doorgegaan op circulaire economie in de bouw, zonder aan te geven welke rol dit heeft in zijn betoog.
  • De schrijver noemt een toename van ongewenste effecten bij invoering van diftar: vervuiling van gescheiden stromen, dumping van restafval in de natuur, openbare afvalbakken en/of bedrijfsafval. Deze stelling wordt niet onderbouwd. Er is ons ook geen onderzoek bekend waaruit dit blijkt. Gemeenten geven aan dat deze activiteiten ook al plaatsvonden voor invoering van diftar. Dumpingen in de natuur betreffen vaak al dan niet illegaal bedrijfsafval.
  • De schrijver wijst “minder dan de helft van de daling” in de hoeveelheid restafval bij invoering van diftar toe aan een toename van afvalscheiding. Hij vermeldt dat er andere, voor een deel ongewenste effecten “kunnen schuilgaan”. De uitspraak wordt verder niet onderbouwd. Uit massabalansen van voor en na invoering van diftar blijkt in de praktijk een veel groter deel van de vermindering van restafval toe te wijzen aan de verbeterde afvalscheiding.
  • Er wordt gesteld dat gewichts- en volume gebaseerde diftar zonder dure zakken “slechts enkele procenten meer recycling” oplevert. Deze stelling wordt niet onderbouwd. Uit CBS-cijfers blijken effecten van 10 tot 30 procent.
  • Er worden negatieve neveneffecten en beperkte positieve effecten genoemd van omgekeerd inzamelen. Daarbij wordt verwezen naar data uit 2012. Er was toen echter geen enkele gemeente die in zijn geheel op dit systeem was overgestapt. In de jaren daarna ging het ook met name nog om pilots in delen van gemeenten. Het lijkt ons dan ook onmogelijk om daar cijfermatig iets over te zeggen. Indien de schrijver wat gevoel wil krijgen voor de effecten, verwijzen we naar de cijfers van de Benchmark Afvalscheiding 2018. Naast dat omgekeerd inzamelen een behoorlijk effect sorteert (ca 10%), doet het recht aan het beleidsprincipe dat de vervuiler meer betaalt en/of meer moeite moet doen. Uit de gedragskunde weten we dat gebruik van de financiële prikkel en de gemaksprikkel effectieve interventies oplevert.
  • De schrijver stelt dat met nascheiding van restafval hoogwaardig in te zetten PET oplevert. Punt is dat daarover nog weinig informatie openbaar beschikbaar is. Nascheiders claimen dat vormvaste PMD goed gescheiden kan worden met nascheiding waarbij de output voldoet aan de DKR-normen. Met “slap” plastic, zoals folies, weet men nog niet goed raad, terwijl die wel nodig zijn om de doelstelling te halen. Bovendien zijn de toepassingsmogelijkheden van plastics die in aanraking zijn geweest met restafval beperkt. We zouden dan ook graag zien waarop de schrijver zijn uitspraken baseert.
  • We zijn verheugd dat de schrijver het belang van de uitbreiding van statiegeld naar flesjes en blikjes onderschrijft. Naast dat het tot 40% minder volume zwerfafval en een grote kostenbesparing voor gemeenten oplevert, levert het materialen op die op hetzelfde (hoge) niveau kunnen worden toegepast, in tegenstelling tot plastics uit nascheiding.
  • De schrijver oordeelt over de luierrecycling die echter nog in de kinderschoenen staat. Het is erg moeilijk om nieuwe technieken al in hun geboortestadium te beoordelen. Opvallend is trouwens dat de schrijver het heeft over “eerdere mislukte pogingen begin deze eeuw in Arnhem”. De installatie werkte naar behoren, maar de casus was economisch niet meer levensvatbaar, omdat de luierproducenten minder vezels in hun luiers gingen gebruiken. Juist de technische en economische optimalisatie van een product (luiers), had invloed op de economie van de verwerking.

Addie Weenk, op persoonlijke titel, werkzaam bij Rijkswaterstaat (Afval en Circulair) en betrokken bij het programma VANG-Huishoudelijk Afval en de landelijke Benchmark Afvalscheiding waar een kleine 200 gemeenten aan hebben deelgenomen in 2018.

Jan-Henk Welink, werkzaam bij TU Delft en secretaris en initiator Kennisplatform Duurzaam Grondstoffenbeheer.